|
|
| Hoofdstuk 7:
Drouet's "Méthode pour la flûte". |
| Hoewel Drouet's muziek nog
slechts zelden gespeeld wordt, zijn zijn etudes nog altijd verplichte kost
voor iedere fluitist. De 24 etudes die als nrs. 1 t/m 24 in deel IV van
de "Méthode" staan zijn het meest gebruikt*. |
Moderne
uitgaven van deze etudes:
(De
Reede 1988) |
|
| 25
Etudes célèbres (L. Fleury/J.Merry) |
Leduc,
1926 |
| 47
Etudes |
Broekmans,
1967 |
| 25
Etüden für Flöte (Facs.) |
Schott,
1979 |
| 25
Studies (R. de Reede) |
Broekmans
1984 |
| 14
Etudes (In: 100 Classical studies) |
Universal,
1966 |
| 2
Etudes (In: Selected studies II) |
Editio
Musica, 1980 |
| 2
Etudes (In: Selected studies III) |
Editio
Musica, 1980 |
|
| De "Méthode" zelf
is niet meer bruikbaar, maar blijft interessant, omdat Drouet uitgaat van
het type fluit dat inzijn tijd gebruikelijk was en bovendien zijn klankideaal
in de instructies is terug terug te vinden. |
| De volledige titel van het
werk luidt: "Méthode pour la flûte, ou Traité complet
& raisonné pour apprendre à jouer de cet Instrument".
Het is opgedragen aan de koning van Pruissen, die hem hiervoor met twee
eigenhandig geschreven brieven bedankt. (Schilling 1841, p.102). Er zijn
ook in die tijd nogal wat uitgaven van gemaakt; bij Peyel & Fils aimé
verscheen de "Méthode" in het Frans in 1827, in Mainz ook in 1827
in een Frans-Duitse versie (alleen de delen 1 t/m 3; deel 4 verscheen in
1830). In 1830 verscheen in Londen bij R. Cocks & co een Engelse bewerking,
die echter op een aantal punten afweek van de oorspronkelijke editie en
tenslotte verscheen in 1840 bij Ricordi in Milaan een "Metodo completo
per flauto", die kennelijk op de Franse editie was gebaseerd. (De Reede
1988). |
| Het werk paste in de goede
traditite van Quantz (1752), Devienne (1795), Hogot/Wunderlich (1801),
Berbiguier (1820) en anderen, waarin iedere zichzelf respecterende fluitist
ook een eigen methode schreef. Fürstenau (1828, 1834 posth.), Tulou
(1835) en Nicholson (1836) zouden nog volgen. |
| Het succes van Drouet's
"Méthode" zal ongetwijfeld samenhangen met zijn populariteit als
fluitist. Het is een lijvig werk, dat veel meer omvat dan wat wij tegenwoordig
onder een fluitmethode verstaan. Bij de bespreking ga ik uit van de Frans-Duitse
editie; de - door Drouet zelf verzorgde - Engelse editie heb ik niet ingezien,
maar wijkt op bepaalde punten af. |
Deel I van Drouet's "Méthode"
- er zijn in totaal vier delen - heet "Quelques Principes de Solfège".
De moderne lezer krijgt echter niet wat hem beloofd lijkt te worden: dit
hoofdstuk bestaat enkel uit Algemene Muziekleer en nog wel tot op een vrij
hoog niveau, ervan uitgaande dat Drouet dit hoofdstuk noodzakelijk vindt
vóór de fluitstudent zijn eerste toon blaast. De al te leergierige
leerling, die voortijdig aan deel II wil beginnen, wordt aan het begin
van dit deel nog eens extra gewaarschuwd:
"Avertissement.
Si vous voulez commencer l'étude de cet ouvrage par ce qui va suivre,
si vous n'avez pas lu avec attention ce qui précède, vous
perdrez votre tems, vous ne me comprendre pas". (p.29).
In de bespreking die de AMZ
aan de "Méthode" besteedt, komt dit eerste deel er terecht niet
al te best vanaf:
"Im erste Theile,...sind
die Erklärungen meistens sehr dürftig was leider noch viele andere
Methoden berühmter Flötisten mit dieser gemein haben. ...Das
letzte Kapitel davon hätte manches vorhergegangene aussöhnen
können, wenn Hr.D. seinen guten Willen, den Flötenspielern eine
Anleitung zum Preludieren und Cadenzmachen zu geben, in Ausführung
zu bringen gewusst hätte. ...Das wäre ein Kapitel geworden, würdig
eines Meisters, und Mancher hätte gern dafür allein so viel bezahlt,
als für die ganze Methode zusammen". (AMZ 1830, kl.498).
|
| Het tweede deel is echter
veel interessanter, omdat Drouet ons hier een kijkje in zijn eigen keuken
geeft. In het hierna volgende zal ik uit deel II de afzonderlijke hoofdstukken
bespreken. |
|
1. Het in elkaar zetten
van de fluit.
Na een korte uiteenzetting
over de onderdelen van de fluit, legt Drouet duidelijk uit hoe de verschillende
onderdelen aan elkaar moeten worden gemaakt. Hij geeft daarbij zeer nauwkeurig
aan weke stand de delen ten opzichte van elkaar moeten hebben. Het mondstuk
staat bi Drouet wat meer naar binnen gedraaid, of, zoals Rockstro zegt,
de andere delen van de fluit wat meer naar buiten. Rockstro citeert uitgebreid
een aantal andere autoriteiten, waaruit blijkt dat kennelijk in die tijd
de meningen er over verdeeld waren. Boehm plaatste het mondgat in een rechte
lijn met de vingergaten,
"and, because
he did so, he was unable to hold his flute without the aid of his 'crutch'
".(Rockstro 1928, p.422)
|
2. Het vasthouden van
de fluit.
Drouet noemt de drie steunpunten
op (3e kootje van de linker-wijsvinger, rechterduim en onderlip) en beschrijft
zeer gedetailleerd de houding van de andere vingers. Opvallende zaken zijn
er niet, wel een bevestiging van het bericht dat Drouet zelf altijd streefde
naar een houding met zo min mogelijk overbodige bewegingen:
"No disagreeable
preludes, or twisting the flute backwards and forwards, to obtain a right
embouchure, - no lifting the eyebrows, or awkward position of the elbows,
- no mawkish affectation, or straining after effect, - but a tone produced
without the slightest difficulty, and a position at once easy and elegant".
(James 1826, p.174).
Het was sinds Tromlitz (1791)
algemeen aanvaard dat de rechterduim enigszins tegen de zijkant van de
fluit aanlag. Alleen Tulou en zijn leerling Walckiers weken hiervan af.
(Rockstro 1928, p.423). |
3. Toonvorming.
Drouet raadt aan met een
geheel open fluit de eerste toon te spelen. Nadat hij eerst zeer precies
de positie van de lippen ten opzichte van het mondgat beschrijft, geeft
hij uiteindelijk de raad om de fluit net zolang in- en uitwaarts te draaien
en te experimenteren met de lippen tot er een mooie toon ontstaat.
"Tâchez
de prendre un juste milieu, et de n'avoir ni ce petit son clair, mais sec,
ni ce grand son large, mais mou, pareux, sans vigueur". (p.32).
Nadat de leerling op deze manier
alle noten van de grepentabel heeft geprobeerd, heeft Drouet nog twee tips:
niet te veel studietijd investeren in de hoogste tonen (c'''', cis''''
en d''''), maar:
"...employez
le à acquerir un beau Son, un beau Style, de l'agilité dans
la langue et dans les doigts, à trouver de choses nouvelles et vous
ferez mieux". (p.33).
Ook zegt Drouet dat de hogere
tonen lichter aanspreken als je de stemprop dichter naar het mondgat toeschuift.
De recensent van de AMZ komt hier echter tegen in opstand:
"Dies ist nun
so hingeschrieben, ohne dabey die Rücksichten, die man bey dem Verrücken
des Propfes auf reine Intonation der Flöte nehmen muss, nur im Geringsten
zu berühren". (AMZ 1830, kl.498).
Voor het overige vindt de recensent
dit hoofdstuk door Drouet "genügend abgehandelt". |
4. Grepentabellen.
Eerst geeft Drouet 4 tabellen
met grepen voor een fluit met 8 kleppen.
| Tabel
I |
Grepen
voor alle tonen tussen c' en d''''. |
| Tabel II |
Alternatieve
grepen voor alle tonen van e' t/m c''''. Voor sommige tonen zijn meerdere
mogelijkheden; de meest opvallende voorbeelden: cis''' 5 grepen, f''' 6
verschillende grepen. |
| Tabel III |
Hulpgrepen voor
trillers. |
| Tabel IV |
Alternatieve
grepen voor trillers, waar Drouet aan toevoegt: "Les Trilles de la Tablature
No 4 sont les plus utiles à connaître, mais non pas les seuls
qu'on pourrait former". (p.41). |
Verder zijn er nog twee grepentabellen
voor de fluit met 4 kleppen (d' - d'''') en voor de fluit met één
klep (d' - d'''') opgenomen. De tabellen werden door de recensent van de
AMZ welwillend ontvangen, hoewel het nog voor uitbreiding vatbaar zou zijn
geweest:
"Die nun volgenden
Tabellen für die Tongriffe und Triller haben das Verdienst der Reichhaltigkeit,
worin er wohl alle seine Vorgänger übertroffen hat. Hier hat
man nun die Wahl, um die seiner Flöte zusagenden Griffe herauszusuchen.
Die Tabellen könnten zwar noch viel vollständiger sein, aber
auch schon für diese brave Arbeit gebührt Hrn. D. Dank; er hat
damit seinem Nachfolgern im Schulenschreiben für die Flöte einen
Fingerzeig gegeben, dass in diesem Kapitel noch manches zu verbessern ist".
(AMZ
1830, kl.499).
Drouet heeft ook een aparte
grepentabel uitgegeven voor de fluit met 4 kleppen: "Tablatures pour le
doigté de toutes les notes et de toutes les trilles Mineurs et Majeurs
sur une flute a quatre clefs suivie d'une échelle enharmonique",
bij F.L. Dony te Den Haag. Deze tabel - aanwezig in het Haags Gementemuseum
- is geen overdruk uit de "Méthode" en heeft ook weer alternatieve
mogelijkheden voor de verschillende tonen, die ontbreken in de "Méthode". |
5. Toon.
Dit hoofdstuk is erg belangrijk
omdat de kwaliteit van Drouet's eigen toon nogal omstreden was.
Aan het begin formuleert
Drouet wat hij onder een goede toon verstaat:
"Ce qui constitue
un beau Son, est 1. Une belle qualité de Timbre. 2. Un volume suffisant,
pour être bien entendu, accompagné par un Orchestre, dans
les plus grands Salles de spectacle. 3. Une grande égalité
dans le moyen de la quelle vous puissiez passer du doux au fort, et du
fort au doux, soit par gradations, soit brusquement, sans hausser ni altérer
la qualité du Timbre". (p.47).
Iedereen kan, volgens Drouet,
leren een mooie toon te ontwikkelen; ook personen "avec une bouche horrible"
kunnen dus rustig verder lezen.
"Le Son doit
être, si j'ôse m'exprimer ainsi, dans l'imagination; c'est-à-dire:
que votre Oreille doit vous dicter sa qualité". (p.47).
Om het juiste volume te krijgen
raadt Drouet aan met orkesten in een grote ruimte te spelen. verder is
opvallend dat Drouet bij de registeregalisatie uitgaat van hetzelfde principe
als zangers:
"Mais ce que
je demande c'est, que vous fassiez tous vos efforts pourobtrenir dans votre
Son cette égalité, que les connaisseurs admirent chez les
grands-Chanteurs des meilleures Ecoles". (p.48).
Drouet zelf had, met name in
de laagte, een vrij klein geluid. Waarschijnlijk kan dit als een algemene
karakteristiek van Franse fluitisten worden aangemerkt, terwijl de Engelse
fluitisten - m.n. Drouet's concurrent Nicholson - meer een vollere toon
prefereerden.
"The fault attributed
to M. Drouét was, that he was deficient in volume of tone and in
expression, the very qualities which Mr. Nicholson excelled in". (James
1826, p.169).
"M. Drouét had
not, however, the same quantity of tone as this gentleman (Nicholson
- GO) although the quality may be pronounced superior". (James 1826,
p.175).
|
6. Ademtechniek en het
aanblazen.
Drouet's ademtechniek is,
naar onze moderne inzichten, een lachertje. het schijnt dat Drouet zelf
er in zijn tijd wel respect mee afdwong:
"Auch seine Ausdauer
ist bewunderenswürdig. Acht 2/4 Takte blies er (in lauter 32 Theilen),ohne
Athem zu holen, und zwar in dem nicht sehr raschen Tempo nach M.M. = 82".
(AMZ
1839,kl.519).
Drouet's aanwijzingen staan
haaks op de huidige praktijk:
"Observer encore
qu'en aspirant il faut faire rentrer le Ventre, et qu'en soufflant,il faut
le faire un peu ressortir". (p.49).
Veel belangrijker, in ieder
geval voor de uitvoeringspraktijk, zijn de aanwijzingen over de plaats
waar adem gehaald kan worden:
-
Na een authentieke cadens
-
Na een cadens op de dominant
-
Na een motief
-
Na een Trugschluss
-
Voor lang-aangehouden tonen
-
Voor een lange en snelle passage
-
Na een fermate
-
Na een gebroken accoord over
meerdere maten
-
Na de eerste noot van een groep.
-
Op het eind van een gepunteerde
noot.
(p.51 t/m 53). |
7. Aangehouden tonen.
Drouet ziet dit als dé
manier om een mooie toon te ontwikkelen en raadt de student aan alle tonen
volgens de grepentabel rustig door te spelen met lang aangehouden tonen. |
8. Prima vista-spel en
begeleiden.
Drouet raadt aan iedere
dag een onbekend stuk van het blad te spelen; als er geen fluitmuziek voorradig
is, kan ook vioolmuziek of muziek uit een zangbundel gebruikt worden. Opvallend
is dat Drouet, net als in het hoofdstuk over de toon, het voorstellingsvermogen
belangrijk vindt:
"Avant de commencer
un Morceau qu'on ne connait pas, il faut 1. en examiner le ton,2. le tems,
3. représenter dans son imagination le mouvement de ce tems".
(p.56).
Als Drouet gaat opsommen over
welke 9 goede kwaliteiten een begeleider moet beschikken,levert dat volgens
mij geen opzienbarende gezichtspunten op, hoewel punt 1 een aardig beeld
geeft van het materiaal waarmee musici in die dagen moesten werken. Voor
de volledigheid geef ik Drouet's 9 eisen weer:
"...afin de bien
accompagner, il faut:
1. avoir assez d'intelligence
pour ne pas faire les fautes de Copie ou d'impression,
2. suivre la partie principale,
3. savoir transposer
4. ne jamais broder que
quand on a un Solo, et qu'on devient partie principale.
5. avoir beaucoup d'à
plomb
6. savoir déchiffrer
plusiers Mesures d'un seul coup d'Oeil,
7. pouvoir compter deux,
trois cents mesures de suite, sans se fourvoyez,
8. ne jamais frapper
la Mesure de Manière à être entendu, et ne jamias la
marquer par le moindre mouvement de corps,
9. avoir le plus souvent
que vous pouvez, les yeux sur le Chef d'Orchestre, et deviner ses intentions.
De eisen 2 t/ 9 schijnen echter
indertijd bepaald niet door dezelfde open deuren te zijn geschoten als
anno 1989, gezien het feit dat ze in de AMZ onverkort werden geciteerd,
met de opmerking: "Nur das erste Erfordernis ist mit Einschränkung
zu verstehen". (AMZ 1830, kl.499). |
9. Herkennen van de toonsoort.
Dit hoofdstuk is een uitbreiding
van wat in het eerste deel van de "Méthode" reeds is behandeld. |
10. Stemmen.
Gebeurt altijd op a', maar
deze is volgens Drouet niet erg zuiver. Drouet adviseert daarom:
"Examiner donc
comment est le La sur votre Instrument, et s'il est trop haut, en vous
accordant donnez le ton un peu plus bas; s'il est trop bas, faites le contraire".
(p.59).
De AMZ heeft m.i. echter een
betere oplossing:
"Dagegen habe
ich die Erfahrung gemacht, dass es weit sicherer ist, das a'' auf der Flöte
zum Einstimmen anzugeben, da diess a'' auf weder durch Kälte oder
Wärme, noch durch scharfes oder sanftes Anblasen eine so bedeutende
Abweichung von der Reinheit erleiden kann,. als das a' ".(AMZ 1830,
kl.500).
|
11. Versieringen.
In dit hoofdstuk geeft Drouet
talloze mogelijkheden om een eenvoudige melodie bij herhalingen met gelijkblijvend
accoordenschema te versieren. Drouet stelt dat de patronen die hij geeft
de meest gebruikelijke zijn; kennelijk stond hij nog in een traditie van
improvisatie volgens vastgelegde patronen. |
De versieringen die men
op pag.61 van de "<éthode" aantreft doen onmiddelijk denken aan
de variaties in Drouet's eigen werken, die we dan wellicht betere als uitgeschreven
improvisaties zouden kunnen beschouwen. Drouet geeft vervolgens het advies
om de muziek niet te overladen met versieringen. Tegen dit advies zal hij
zelf al snel zondigen want in deel IV, etude 46
"wird gezeigt,
wie man eine einfache Melodie verzieren kann, leider aber auch, wie man
sie mit Verzierungen überladen kann". (AMZ 1830, kl.503).
Tot slot nog een interessante
beperking die ons door Drouet wordt opgelegd:
"On ne doit jamais
faire usage de ces Broderies qu'on nomme agrémens du Chant, dans
la musique d'Haydn, de Mozart, de van Beethoven et autres Compositeurs
à peu près de cette troupe". (p.65).
|
12. Het instuderen van
een stuk.
Ik volsta hier met een citaat
uit de AMZ:
"Die guten Lehren,
welche Hr. D. über das Einüben eines Musikstücks gibt, sind
die eines wohlerfahrnen Künstlers,...".(AMZ 1830, kl.500).
|
13. De dubbele tongslag.
Dit hoofdstuk is wellicht
voor de fluitisten het meest interessant. Drouet moet immers in staat zijn
geweest de tonen ook in de snelste passages gestoten te spelen:
"We have a splendid
specimen of it in M. Drouét, whose articulation no one, who has
ever heard it, will, I think easily forget". (James 1826, p.123)
Volgens Drouet kan men met de
dubbele tongslag - het na elkaar uitspreken van twee verschillende lettergrepen
- een grotere snelheid bereiken dan met de enkelvoudige tongslag - het
snel herhaald uitspreken van dezelfde lettergrepen.
"Il ne s'agissait
plus que de trouver deux Syllabes différentes, faciles à
prononcer, et qui produiraient deux Sons parfaitement égaux". (p.67)
Drouet blijkt dan "deu-reu",
in het Frans uitgesproken, te gebruiken. Voor Engelsen, Duitsers en Italianen
is volgens hem "dou-rou" het beste, hoewel ook "de-re" kan.
"Was hat nun
der Wissbegiere aus Hrn. D. Beschreibung der Doppelzunge gelernt? Die Sylben
dazu; aber mit diesem Wissen allein möchte es wohl selten Jemand bis
zur fertigen Ausübung bringen". (AMZ 1830, kl.500).
schrijft de AMZ-recensent uitdagend
in zijn bespreking, waarna in de volgende alinea de aap uit de mouw komt:
Drouet heeft hem niet kunnen overtuigen en de enkelvoudige tongslag is
eenvoudiger te leren, terwijl het klinkend resultaat veel beter is. (kl.501). |
Toch is de vraag of Drouet
tijdens deze excursie door zijn keuken bij dit gerecht het deksel wel ver
genoeg van de pan heeft gelicht. W.N. James weet ons iets veel leukers
over Drouet's articulatie-techniek te vertellen:
"The word that
M. Drouét used was "Territory", because each of these syllables
gives distinctly the proper expression to the tongue. This word, however,
should be a little qualified and softened; and when made "Teth-thi-to-dy",
will express the four notes admirably". (James 1826, p.125).
H. Macaulay Fitzgibbon zegt
er het volgende over:
"His rapid and
clear articulation closely resembled double-tongueing, and when he first
came to London it set all the amateur flute-players wondering as to how
it was produced, and acres of paper were covered with discussions on the
subject. It is said to have been really the result of some unusual formation
of the mouth, throat, and tongue peculiar to himself". (Fitzgibbon
1928, p.199).
Mijns inziens komt de belangrijkste
bijdrage in deze discussie van S. Preston, die schrijft:
"A pencil note
in a private copy of "The Flutist Magazine" claims that Minasi, a famous
student of Drouet, said that when he studied under Drouet, D(rouet) never
interfered or made any suggestion as to his tongueing - the passage was
to be done & if done neatly it mattered not to Drouet what syllables
were used. M(inasi) says the syllables Drouet himself used were Teu-tu-teu-tu
- this method some can readily adopt but others will find it difficult
- much depends on the tongue". (Preston 1989).
|
14. Chromatische halve
tonen.
Deze zijn volgens Drouet
te verdelen in twee soorten:
1. Doorgangsnoten die een
kleine secunde onder een tot een accoord horende noot liggen, en
2. de terts van een dominant
accoord.
In beide gevallen moet de
betreffende toon iets hoger worden geïntoneerd, waarvoor Drouet weer
speciale grepentabellen geeft. Daarmee geeft Drouet aan niet voor een al
te star vasthouden aan de gelijkzwevende temperatuur te zijn, hoewel dit
soms noodzakelijk kan zijn:
"On ne doit point
augmenter ces Notes de passage, quand on joue en Tierce, en Dixte, à
l'Unisson ou à l"Octave avec des Instruments dont les Sons ne peuvent
pas être altérés, pendant l'éxecution, comme
le Piano &".(p.72).
|
15. Stijl en smaak.
Drouet gaat voor een goede
interpretatie van deze termen te rade bij Rousseau en citeert uit zijn
"Dictionnaire de Musique". Vervolgens geeft hij enige regels voor een juiste
uitvoering van de verschillende delen van een compositie. |
| Als afsluiting van deel
II volgen nog afzonderlijke oefeningen voor iedere klep en voor allerlei
articulaties. |
|
Deel III van de "Méthode"
bestaat uit speelmateriaal en is getiteld: "Troisième Partie:
Pour apprendre a jouer en mesure". (p.84). Op zichzelf beschouwd bestaat
dit deel ook weer uit twee delen, te weten:
-
"12 Leçons progressives
pour se familiariser avec les intervalles, et pour apprendre à compter".
Deze etudes hebben een tweede stem voor de leraar. In de leerling-partij
is bij iedere teleenheid aangegeven hoever men in de maat zit. Het toonsoorten-verloop
van deze 12 etudes is wellicht nog interessant; Drouet loopt de kwintencirkel
via de mollenkant af, waardoor G - Drouet's favoriete toonsoort - ontbreekt.
| 1. |
C |
4/4 |
| 2. |
a |
3/4 |
| 3. |
F |
4/4 |
| 4. |
d |
3/4 |
| 5. |
Bb |
4/4 |
| 6. |
g |
4/4 |
| 7. |
Eb |
3/4 |
| 8. |
c |
6/8 |
| 9. |
Ab |
4/4 |
| 10. |
f |
4/4 |
| 11. |
Db |
2/4 |
| 12. |
bb |
6/8 |
-
"Trois petites sonates d'une
difficulté graduelle, avec une basse chiffrée (ou un accompagnement
de Flûte) pour s'habituer à l'accompagnement du Piano".
(p.101). Opvallend aan deze sonates is de begeleiding die naar keuze op
piano of fluit gespeeld kan worden. Drouet vermeldt er echter uitdrukkelijk
bij dat het niet de bedoeling is de stukken met twee fluiten en piano uit
te voeren. De pianopartij is overigens niet meer dan een becijferde bas.
|
|
Deel IV is getiteld: "Exercises
de tous genres, pour le Son, les Doigts, les Clefs et la Langue". (p.127).
Ook hier volsta ik met een korte opsomming:
| 1-24 |
Dit zijn de
bekendste etudes, die ook vaak afzonderlijk zijn uitgegeven. |
p.127 |
| 25 |
Pour les Notes de passage
augmentées. (Dit zijn de chromatische halve tonen). |
p.150 |
| 26-38 |
Exercises propres à
faire acquérir de l'égalité dans le Son. |
p.151 |
| 39-42 |
Pour apprendre le double
coup de Langue |
p.158 |
| 43-44 |
Modulation |
p.162 |
| 45 |
Pour les Flûtes
qui descendent jusqu'au Si, et pour celles, qui descendent jusqu'au Sol.
De AMZ over deze etude:
"Das erste Drittheil
des Tonstücks No 45 enthält eine Uebung der H-Klappe, und dawider
habe ich nichts. Die übrigen zwey Drittheile aber sollen zur Uebung
derjenigen dienen, die eine Flötebesitzen, welche so lang ist und
so viele Klappen hat, dass sie bis g hinab gelangen können. Diesen
Liebhabern wünsche ich viel Vergnügen bey diesem Ritte auf ihrem
Steckenpferde mit der Kinderklapper in der Hand". (AMZ 1830, Kl.503).
|
p.165 |
| 46 |
Broderies |
p.166 |
| 47 |
Grand Exercise. Deze
etude wordt wel aan moderne uitgaven van de eerste 24 etuden toegevoegd. |
p.167-178 |
|
| Zoals reeds eerder gescreven
is Drouet's "Méthode" vooral nog in gebruik om de eerste 24 etudes
uit deel IV. Deel II, waarin de tekst voor een groot deel is geschreven
voor de vroeg 19e eeuwse fluit, is in deze tijd als methode niet erg bruikbaar.
Wat de "Méthode" voor de musicoloog interessant maakt is de benadering
van diverse problemen, die, ondanks eerder gemaakte vergelijkingen, allerminst
de indruk wekt van een kant en klaar receptenboek. Drouet houdt de student
vaak verschillende oplossingen voor, maar stelt steeds dat de eigen smaak
een keuze zal moeten maken. Het grote belang dat Drouet hecht aan het voorstellingsvermogen
is methodisch gezien erg belangrijk, evenals het rationeel oplossen van
problemen. |
| Daarnaast zijn de hoofdstukken
over de articulatie, de versieringen en het tweede deel van het hoofdstuk
over ademtechniek van belang voor de uitvoeringspraktijk. |
| Tenslotte geeft Drouet's
tekst, waarin hij de student niet al te afstandelijk benadert, een completer
beeld van de mens en musicus Drouet dan wanneer wij alleen op uitspraken
en anekdotes van recensenten en andere tijdgenoten moeten afgaan. |
|
|
|
|